Enkele zachtklinkende instrumenten.Enkele Zachtklinkende instrumenten.

 

 

 

Zoals reeds eerder te lezen was op de startpagina bij het gedeelte : "Wat is ons instrumentarium ?" werden de muziekinstrumenten opgedeeld in twee hoofdcategorieën : de zachtklinkende instrumenten en de luidklinkende instrumenten. Daar we hier niet alle instrumenten die er bestonden kunnen bespreken, beperk ik me tot die instrumenten die we zelf bezitten en bespelen en geef ik hierover wat diepgaandere informatie, vergezeld van de bijhorende foto :

 

 

 

Tot de groep van de zachtklinkende instrumenten behoren de strijk- en tokkelinstrumenten :

 

 

 

 

Tenorpsalter1. Het Psalter, hier de tenorversie ervan.

 

Een psalterium (ook wel psalter)is een snaarinstrument uit de familie van de harp of de citer. Het psalterium is een oud muziekinstrument en werd reeds bij de oude Grieken in 2800 voor Christus aangetroffen (een Epigonion) als harp-achtig instrument. Het woord 'psalterium' stamt uit het Oudgriekse "psalterion : snaarinstrument, psalterium, harp" en komt van het woord "psallo : prikken, plukken, trekken, draaien" en in het geval van de snaren van muziekinstrumenten "het spelen van een snaarinstrument met de vingers, en dus niet met een plectrum". In de Bijbel wordt het woord "psalterium", en zijn meervoud "psalteria" gebruikt als vertaling van het Hebreeuwse woord "keliy" wat "gereedschap" betekent. In het Vroeg-Christelijke tijdperk bestond een psalterium uit een klankkast met enige gestemde snaren, die normaliter getokkeld werden. Men kende het ook onder het woord canon (van het Griekse woord "kanon" oftewel "regel", "principe", "modus'. Het moderne Griekse volksmuziekinstrument heeft de naam kanonaki (kleine kanon) gekregen. Het instrument is doorgaans klein genoeg om te dragen. De vorm en ambitus variëren. Er zijn vele afbeeldingen uit de middeleeuwen van psalteria te vinden. Tijdens de middeleeuwen bestonden er twee varianten : het trapeziumvormig psalter, waarbij de snaren in horizontale richting en verder uit elkaar over het instrument gespannen waren en het driehoekig psalter, waarbij de snaren in verticale richting en dicht bij elkaar over het instrument liepen. De vorm heeft echter wel invloed op de wijze van bespelen van het instrument. Zo kan je de trapeziumvormige variant, die trouwens over heel wat minder snaren beschikte en dus ook een veel kleinere tessituur had enkel betokkelen met ganzeveren of plectrum. De driehoekige vorm heeft heel wat meer snaren, een ruimere tessituur en kan men op twee manieren bespelen : hetzij tokkelend met ganzeveren of plectrum of aanstrijken met een strijkstok. Het instrument is eigenlijk de voorloper van de vedel, welke dan weer de voorganger is van de huidige viool, niettegenstaande het totaal anders is qua opbouw. De vedel en de huidige viool hebben 4 of 5 snaren die in een boog liggen op een kam en waarbij de vingergrepen bepalen welke tonen geproduceerd worden, terwijl bij het psalter alle snaren op gelijke hoogte liggen en elke snaar 1 toon produceert. Het instrument was zeer populair tussen 1400 n.C. en 1500 n.C. en werd vaak gebruikt als begeleidend instrument bij zang voor zowel geestelijke als profane muziek. Helaas is het met de opkomst van de vedel echter in de vergetelheid geraakt, maar is nu gelukkig terug in een opmars ... In de 19e eeuw werden diverse vormen populair, met name de gitaar/citer modellen en de kleine harp-achtigen. In de 20e eeuw komt de driehoekige versie veel voor omwille van zijn veelzijdigheid qua bespelen.

 

Luister naar een Psalterfragment :

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Middeleeuwse Luit2. De Middeleeuwse Luit, hier afgebeeld een Ierse luit die het best de oorspronkelijk Laat-Middeleeuwse luit benaderd.

 

De luit is een snaarinstrument, dat met de vingers wordt bespeeld door de snaren aan te slaan (ongeveer zoals bij de huidige gitaar). De luit is ontwikkeld uit het van oorsprong Arabische en Perzische snaarinstrument Oud en genoot in het Europa van de late middeleeuwen, de renaissance en de barok een grote populariteit. Voorlopers van de luit werden al in de Oud-Egyptische muziek gebruikt, zo'n 2000 jaar voor Christus. Ook in China bestond al in de oudheid een erg op de luit lijkend instrument. De naam van het instrument is afgeleid van het Arabische "al ud", wat het hout of het stokje betekent. De benamingen in vrijwel alle Europese talen zijn afgeleid van deze oorspronkelijke benaming (vergelijk bijvoorbeeld de: Laute, en: lute, fr: luth, hu: lant, it: liuto, pl: lutnia en es: laud). Het instrument is in Europa en het Midden-Oosten verspreid via de Moren op het Iberisch Schiereiland en door deelnemers aan de verschillende kruistochten. In Europa maakte de luit een ontwikkeling door waarbij het aantal snaren werd uitgebreid. Tevens kreeg het instrument fretten, waardoor het spelen van akkoorden werd vergemakkelijkt (maar het maken van de Arabische microtonen niet meer mogelijk was). Vanaf circa 1500 kende de luit een grote bloei en werd er bijzonder veel muziek voor gecomponeerd. Bekende componisten zijn Francesco da Milano (1497-1543), John Dowland (1562-1626), verscheidene leden van de Gautier-dynastie (1575-1672) en Sylvius Leopold Weiss (1686-1750). In de Nederlanden waren Joachim van den Hove (1567-1620) en Nicolaes Vallet (1583-1645) de voornaamste componisten. De Renaissanceluit wordt gekenmerkt door een bol klanklichaam, in de vorm van een overlangs doorgesneden ei, en een korte brede hals die bevestigd is aan het smalle eind van het klanklichaam. De stemknoppen zijn in een doorgaans achterovergeknikte knoppenkast aangebracht. De gebruikte materialen zijn zeer dun en bijgevolg is het instrument kwetsbaar. Een renaissance- of barokluit in ongerestaureerde, speelbare staat is een zeldzaamheid. De middeleeuwse luit had echter geen bolle buik, maar was plat aan de achterkant en had ook geen knikhals. De knikhals is zeer typerend voor de Renaissanceluit vanaf de 16e eeuw. Maar tot en met de 15e eeuw had de luit een gewone rechte hals. De luit is een één- of dubbelkorig snaarinstrument. De snaren worden in paren, "koren" geheten, aangeslagen. De snaren van een koor zijn gelijk gestemd of verschillen een octaaf. Het hoogste koor (de chanterelle genoemd) bestaat meestal uit één snaar, maar werd soms dubbel besnaard. Een middeleeuwse luit heeft vier koren. In de renaissance liep het aantal op van zes tot tien om in de barok uit te komen op dertien (de theorbe had er tot veertien). Enkele bekende luitspelers of luitisten zijn : Jan Akkerman (1946), Robert Barto, Paul Beier, Julian Bream (1933), John Dowland (ca. 1563-1626) en Willem Cornelisz. van Duyvenbode (1542-1616)

 

Luister naar een Luitfragment :

 

 

 

 

 

                  Naar begin van de pagina